De Hoge Raad wijst het cassatieberoep over het Landelijk Schakel Punt (LSP) van de Vereniging van Praktijkhoudende Huisartsen (VPH) af, maar de uitspraak bevat positieve, bruikbare elementen

Gepubliceerd: 17 december 2017

De Vereniging van Praktijkhoudende Huisartsen (VPH) heeft in 2013 een bodemprocedure aangespannen tegen de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie ( VZVZ) met als doel om via een rechtsgang het LSP te doen afschaffen. VZVZ is de organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van het LSP. Hoewel de Eerste Kamer in 2011 tegen de private doorstart van het Elektronische Patiënten Dossier (EPD) ofwel Landelijk schakelpunt (LSP) heeft gestemd, heeft dat niet mogen baten. In 2012 is het LSP er toch gekomen.

De KDVP is vanaf het begin actief betrokken geweest bij de juridische procedure(s) van VPH tegen het LSP, omdat ook bij de uitwisseling van medische persoonsgegevens zowel inbreuk wordt gemaakt op het medisch beroepsgeheim alsook op de privacy van patiënten/cliënten. Bij gegevensuitwisseling via het LSP kunnen patiënt/cliënt en hulpverlener niet langer samen bepalen welke informatie voor welk doel mag worden uitgewisseld met welke andere hulpverleners die betrokken zijn of via verwijzing betrokken raken bij een behandeling. Bij uitwisseling van gegevens via het LSP kunnen medisch beroepsgeheim en privacy niet meer gegarandeerd worden (voor meer informatie over het LSP zie KDVP Nieuwsbrief dd 20-9-2014, punt 2).

Omdat de uitkomst van de bodemprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland tegen de doorstart van het LSP en daarna het hoger beroep bij het gerechtshof te Arnhem onvoldoende hebben opgeleverd, is VPH in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.

Op 1 december 2017 heeft de Hoge Raad in dit cassatieberoep uitspraak gedaan. Helaas is het beroep verworpen, maar toch heeft het tevens een duidelijke leidraad voor de toekomst aangereikt. De Hoge Raad baseert haar uitspraak op stellingnames over de te verwachten aanpassing van het huidige LSP op basis van toekomstige wet- en regelgeving. Omdat het is gebaseerd op toekomstige regelgeving houdt dit voor VZVZ in dat zij dient te weten welke aanpassingen er van haar worden gevergd. Zo stelt de Hoge Raad in haar oordeel dat: 

 “De inrichting van de zorginfrastuctuur (LSP) is thans aanvaardbaar omdat zij berust op in vrijheid gegeven, voldoende specifieke toestemming van de patient. Het hof heeft daarbij echter onderkend dat de zorginfrastructuur ook kan worden ingericht op een wijze waarbij meer onderscheid tussen (soorten) gegevens en (categorieën) zorgaanbieders kan worden gemaakt, en waarbij in het bijzonder gegevensuitwisseling op basis van toestemming bij voorbaat desgewenst kan worden beperkt tot spoedeisende gevallen”.

De Hoge Raad zegt hiermee feitelijk dat de toestemming voorlopig “aanvaardbaar” is, maar alleen omdat het nu nog niet mogelijk lijkt om het uitwisselen, delen van medische persoonsgegevens te baseren op een meer specifieke toestemming. Deze uitspraak is uiteindelijk een “opdracht” voor ICT experts om een oplossing te vinden voor het probleem van de gebrekkige, vooralsnog onvoldoende gerichte uitwisseling van medische persoonsgegevens op basis van een echte specifieke toestemming zoals dat mogelijk en gebruikelijk was voor invoering van het LSP. Hiermee wordt bevestigd dat de huidige (te) brede generieke toestemming zodra dat mogelijk is alsnog moet worden vervangen door een specifieke toestemming om medische persoonsgegevens meer gericht te kunnen delen. De Hoge Raad verwacht van VZVZ dat het systeem wordt aangepast zodra dit technisch uitvoerbaar blijkt. Dit oordeel van de Hoge Raad wijst daarmee in feite op de noodzaak om de gegevensverwerking via het LSP te toetsen aan het subsidiariteitsbeginsel.

Feit blijft echter dat er al betere en vooral privacyvriendelijker systemen mogelijk zijn voor de uitwisseling van gegevens dan de centrale uitwisseling zoals deze nu via het LSP plaatsvindt. De “white-box” is hiervan een voorbeeld (voor meer informatie zie het KDVP Nieuwsbericht dd 12-11-2015).