Op 15-2-2019 vonden bij de rechtbank Midden-Nederland opnieuw twee rechtszittingen plaats over de verwerking van medische persoonsgegevens door zorgverzekeraars en door het DIS

Gepubliceerd: 28 februari 2019

Bijna exact 2 jaar na de eerdere rechtszittingen over de Gedragscode en het DIS vonden op 15-2-2019 bij de rechtbank Midden-Nederland opnieuw zittingen plaats. Vanaf 2015 vraagt Burgerrechtenvereniging Vrijbit (www.vrijbit.nl) via juridische procedures tegen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) al aandacht voor de onrechtmatige verwerking van bijzondere persoonsgegevens, die een aantasting betekent van het recht op privacy van de burger. Stichting KDVPg is vanaf de start van deze procedures actief betrokken bij beide zaken.

In een KDVP nieuwsbericht (dd 4 april 2016) kunt u informatie vinden over de hoorzittingen welke op 15 maart 2016 bij de AP zijn gehouden naar aanleiding van de handhavingsverzoeken die Vrijbit in 2015 bij de AP heeft ingediend en waar de AP vervolgens afwijzend op heeft gereageerd. In reactie op de afwijzende beslissing van de AP ten aanzien van deze handhavingsverzoeken is Vrijbit in beroep gegaan en op 10-3-2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland beide zaken voor de eerste keer behandeld, hetgeen op 11-7-2017 tot een “tussen-uitspraak” heeft geleid.

In haar tussen-uitspraak van 11-7-2017 heeft de rechtbank beslist om de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de gelegenheid te geven de “gebreken” in hun (onrechtmatige) verwerkingsprocedures aan te passen aan de uitspraken van de rechter. De AP kreeg toen 2 weken de tijd om te beslissen of ze van dit “aanbod” gebruik wilde maken en zo ja, dan moest er binnen 8 weken resultaat worden geboekt. De AP heeft vervolgens echter uitstel op uitstel gevraagd - en van de rechtbank gekregen - met als gevolg dat pas ruim anderhalf jaar na de tussen-uitspraak in 2017 nu op 15 februari 2019 zittingen hebben plaatsgevonden over deze beide zaken.

De voorzitster van Burgerrechtenvereniging Vrijbit (Mw. Wijnberg) en de voorzitter van de stichting KDVP (Ab van Eldijk) deden ook op 15-2-2019 als gemachtigden het woord namens de eisende partij.

De eerstgenoemde juridische procedure betreft het beroep tegen de Beslissing op Bezwaar van de AP om niet handhavend op te willen treden tegen de onrechtmatige verzameling, verwerking en doorlevering van medische diagnose- en behandelgegevens (DBC’s) in het DIS, die reeds plaatsvindt vanaf 2006. In 2006 had het CBP (nu AP) al aangegeven dat het DIS geen tot personen herleidbare gegevens mocht bevatten. Door koppeling van data uit het DIS met in andere bestanden beschikbare gegevens bleken deze data wel degelijk herleid te kunnen worden tot concrete “personen van vlees en bloed”. Dat heeft inmiddels ook de NZa - waar het DIS sinds mei 2015 onder ressorteert - zelf moeten erkennen. Hier kunt u de tussen-uitspraak vinden in het beroep (zaaknummer UTR 16/4199 WBP V93) over het feit dat jarenlang op onrechtmatige wijze gegevens door het DIS worden verwerkt. 

De tweede zaak gaat over de procedures voor de verwerking van medische persoonsgegevens zoals die zijn vastgelegd in de Gedragscode Zorgverzekeraars. De goedkeuring van die gedragscode door het CBP (nu AP) is in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam op 13-11-2013 vernietigd, omdat de in de gedragscode beschreven verwerkingsprocedures geen juiste uitwerking vormden van wet (Wbp) en verdrag (EVRM). Tot op heden zijn er door gezamenlijke zorgverzekeraars geen aan het oordeel van de rechter aangepaste verwerkingsprocedures uitgewerkt die wèl een juiste uitwerking vormen van vereisten voortvloeiend uit wet en verdrag. Hier kunt u de tussen-uitspraak vinden in het beroep (zaaknummer UTR 16/3326 WBP V97) over het feit dat nog steeds op onrechtmatige wijze gegevens door zorgverzekeraars worden verwerkt ondanks het rechterlijk oordeel uit 2013. De oordelen in dit tussenvonnis van de rechtbank waren taakstellend voor de AP.

Hier kunt u de slotbetogen over zowel de Gedragscode als het DIS vinden die door de eisende partij zijn gepresenteerd in de rechtszittingen op 15-2-2019.

Op 18-2-2019 is in reactie op de zittingen door niet-praktiserend huisarts W.J. Jongejan een artikel gepubliceerd getiteld: “Onbegrijpelijke gebeurtenis met geheime stukken in rechtszaak Vrijbit”.

De rechter heeft aangegeven zijn best te zullen doen om binnen 6 weken na 15-2 uitspraak te doen, maar gaf meteen al aan dat het vanwege de complexiteit van beide zaken heel goed mogelijk is dat de uitspraak later komt.